Stoelendans, hoofd en bijzettafels.....

Na decennia lang afbraak beleid gaat er nu perspectief komen.........Wat twee ministers niet lukten vorm te geven in een Kamerbrief moet nu samen met de sector in een Landbouw Akkoord. En voordat er nog maar 1 woord over een agenda of inhoud gesproken wordt, loopt de spanning al tot het kookpunt. Wat is wel duidelijk nu: Het kabinet bepaald de kaders. Stikstof doelen, 74 % van het areaal KDW wordt in 2030 gehaald. Kader Richtlijn Water normen worden gehaald Klimaatafspraken worden opengebroken en een extra opgave van 5 kton is een uitgangspunt. Ruimte agenda kabinet wordt door sector geleverd Maar bij sector partijen gaat het niet om de kaders, het gaat niet over de inhoud maar om de stoel, de plek aan tafel. LTO achterban is kritisch maar hun voorman ( die binnen zijn eigen organisatie een bedenkelijke kwalificatie krijgt...) heeft de plaats aan de hoofdtafel al geclaimd. Najk holt daar zonder ledenraadpleging achter aan. Biohuis , onderdeel van LTO heeft ook een plek aan de hoofdtafel. Agractie heeft haar 16000 leden en donateurs geraadpleegd en krijgt als waardering voor haar inzet en steun ook een zetel aan de hoofdtafel. Ketenpartijen maken nog een afweging. Zo wordt een mooi clubje gelijkgestemden gevormd aan de hoofdtafel. De rest mag voor spek en bonen aanschuiven aan de bijzettafeltjes. Niet dat ze er toe doen, maar dat is voor de vorm en het democratisch gevoel beter. Slim van het kabinet, dom van de partijen die nu al aan de hoofdtafel aanschuiven. Wat deze partijen namelijk aantonen is met hun plek te accepteren aan de hoofdtafel dat ze tot het bot verdeeld zijn over de inhoud en de samenwerking. Dan heeft FDF het slimmer bekeken door te bedanken voor deze voor opgezette poppenkast. Ik adviseer om de overige bijzettafeltjes partijen zich achter het besluit van FDF te scharen voor een nieuw krachtig front. Wat het kabinet zaait met deze methode van stoelendans is verdeeldheid, dan zal zij ook verdeeldheid oogsten! En dan de inhoud, En de kaders. Screenshot 2 laat zien dat het stikstof doel nooit te halen is, screenshot 3 laat zien dat KRW doelen niet gehaald worden, maar daar de schuld van onterecht in de schoenen van de landbouw schuift. Lozingen van influent en afspoeling stedelijk gebied speelt een grote rol in de KRW problematiek, net zoals norm overschrijding van buitenlandse rivier en beek water. En dat het rivierwater schoner de Noordzee in stroomt dan dat het Nederland binnen komt zegt genoeg over het aandeel landbouw. En klimaat, als je maar vast blijft houden dat je met minder mest een kringloop sluit en de mensheid buiten de kringloop houdt, dan blijf je het probleem wel in de benen houden. Maar ook aan korte termijn problemen gaan de hoofdtafel deelnemers volledig voorbij. De PAS knelgevallen worden voor de vorm nog net genoemd, maar wel zonder feitenkennis. Het meest schokkend wat deze week ter ore kwam is dat LTO medewerkers van de gebiedstafels zijn weg gelopen. Ze kwamen tot de conclusie dat landbouw in de overgangsgebieden/buffers rond N2000 niet meer mogelijk was met de gepresenteerde plannen. En zo wordt duidelijk dat deelnemers aan het landbouw akkoord staan voor het vermorzelen van de landbouw/veehouderij door de gestelde kaders met 10000den slachtoffers tot gevolg. Een plek aan de hoofdtafel, is een plek waar je vuile handen op loopt. Bezint eer begint!!!!!

Milieuclub superblij met stikstofplannen: 'Eindelijk, na 40 jaar strijd.'

Het grondwaterpeil in veengebieden moet omhoog, dat is een van de plannen die het kabinet vrijdag presenteerde om de stikstofproblemen aan te pakken. Milieuclub Behoud de Peel vindt het bijna niet te geloven, zegt Wim van Opbergen. Zijn stichting zet zich daar al tijden voor in. De opluchting is enorm, na een eerste lezing van de plannen. "Zo te zien gaan ze echt fors inzetten op héél rigoureuze maatregelen. Na veertig jaar aandringen! Dit gaat de natuur zó hard nodig hebben. Ze lijken het nu écht serieus te nemen. Eindelijk." Stichting Behoud de Peel dringt al tientallen jaren aan op maatregelen. "Ik hou me sinds de jaren tachtig al bezig met stikstof." En nu liggen er wat Wim betreft dan eindelijk serieuze plannen om er wat aan te doen. "En het is echt een integrale aanpak", klinkt het opgetogen. "Ze willen alle problemen aanpakken. Stikstof, maar ook het klimaat met de aanpak van co2 en methaan, de waterkwaliteit, vernatting", somt hij op. En met name die vernatting van de veengronden, zoals De Peel, is al jarenlang een stokpaardje van de milieuclub. Maar, weet hij ook, de plannen moeten nog verder worden uitgewerkt. "Er zal een verdienmodel gevonden moeten worden voor de landbouw", legt hij uit. "Minister Adema heeft een voorstel gedaan op hoofdlijnen, maar dat gaat nog uitgebreid worden. De landbouw zal een enorme transitie moeten ondergaan."Al heeft hij best wel een idee van hoe die nieuwe manier van landbouw bedrijven er dan uit zou kunnen zien, mét alle nieuwe stikstofmaatregelen. "Neem bijvoorbeeld een zone van twee kilometer rond De Peel. Dat hele gebied zou flink natter moeten worden", stelt hij zich voor. "Veel meer natuur en ook fors meer vernat." Veel boeren zouden daar niet op uit de voeten kunnen, zulke natte grond. "Maar je kunt ook denken aan waterlandbouw", gaat Wim verder. "Bijvoorbeeld met het telen van riet of lisdodden. Dat zijn van die stengels met zo'n bruine 'sigaar' eraan. Dat kun je hartstikke goed gebruiken als isolatiemateriaal. En je kunt het in het water telen." "En daarbuiten, daaromheen, kun je dan denken aan heel natte graslanden. Voor bijvoorbeeld extensieve melkrundveehouderijen. Dat betekent veel minder koeien per hectare. Op nat grasland, veel minder bemest. Zulke combinaties kun je best aan denken", schetst hij vast een beeld. "Maar dit zal uitgewerkt moeten worden, er moet een verdienmodel bij gevonden moeten worden." De vraag is natuurlijk of dat lukt én of boeren er wel zin in hebben. "Maar de landbouwers zullen zelf ook beseffen dat deze verandering nodig is. Klimaatverandering treft ook hen", zegt Wim hoopvol. "Op den duur zullen ze er baat bij hebben." "De snelheid waarmee dit gaat, kan wel een probleem zijn", denkt Wim. "Want het moet nu allemaal wel heel erg vlug. Maar dat komt doordat de overheid de problemen veel te lang voor zich uit heeft geschoven." Maar: er spreekt nu echt urgentie uit deze plannen, vindt hij. En dat is voor Wim prachtig nieuws. "Dit zijn de meest hoopgevende berichten die ik in de afgelopen veertig jaar heb gezien."

Kabinet: brede aanpak piekbelasters voor natuurherstel, PAS-melders en economische ontwikkeling

Persbericht 25 november 2022 - 16:12 Met een eenmalige vrijwillige regeling voor ondernemers die piekbelaster zijn, wil het kabinet op korte termijn een forse reductie van de stikstofneerslag realiseren. Hiermee kan natuur herstellen, kunnen PAS-melders gelegaliseerd worden en komt er ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen. Door een brede groep piekbelasters te vragen keuzes te maken tussen fors verduurzamen, verplaatsen, of vrijwillig stoppen wil het kabinet de stikstofimpasse doorbreken. Ook de industrie maakt onderdeel uit van de aanpak piekbelasters. Daarnaast moet vergunningverlening op basis van de natuurbeschermingswet minder onzeker worden. Dat schrijft minister Van der Wal voor Natuur en Stikstof in een brief aan de Tweede Kamer. Na het rapport Remkes laat ook de recente Porthos-uitspraak van de Raad van State opnieuw de noodzaak zien om tot stikstofreductie en natuurherstel te komen. In toenemende mate zitten PAS-melders klem en loopt het vestigings- en ondernemersklimaat vast. Daarom kunnen we vanuit ecologisch, economisch én sociaal oogpunt niet anders dan op korte termijn komen tot een forse stikstofreductie. Dit stelt het kabinet en de maatschappij voor een grote en complexe opgave, waarbij alle partijen uit de agrarische keten en andere sectoren zoals de industrie een bijdrage leveren. Minister Van der Wal: “Een onontkoombare aanpak van stikstofreductie op korte termijn is noodzakelijk om de natuur te kunnen herstellen. Hierdoor kunnen PAS-melders met prioriteit worden gelegaliseerd en komt er meer ontwikkelruimte beschikbaar voor de bouw en energietransitie. Het kabinet gaat daarvoor met ondernemers om de tafel om te kijken hoe de stikstofuitstoot gereduceerd gaat worden. Ik begrijp dat we daarmee een grote vraag bij deze ondernemers op tafel leggen, welke tot zorgen over de toekomst kan leiden. Het Rijk zal daarom samen met de provincies zoveel mogelijk doen om deze ondernemers optimaal te helpen en te ondersteunen in dit proces.” Aanpak met effect op korte termijn via piekbelasters Het kabinet omarmt het advies van Remkes om op korte termijn gericht en versneld de stikstofuitstoot van piekbelasters terug te brengen. Agrarische en industriële bedrijven in de buurt van Natura 2000-gebieden moeten op korte termijn de stikstofuitstoot grotendeels of geheel reduceren. Dat is een moeilijke boodschap voor de ondernemers die het betreft, maar het is de enige manier om zo min mogelijk ondernemingen te raken en PAS-melders met voorrang aan een natuurvergunning te helpen. Het kabinet en provincies hechten veel waarde aan een benadering waarin de menselijke maat centraal staat. Dit vanwege de grote impact voor deze ondernemers. Daarom zal met zoveel mogelijk van de ondernemers die zich kwalificeren als piekbelaster, een of meerdere gesprekken gevoerd worden over hoe de stikstofuitstoot fors wordt gereduceerd. Dit kan via verschillende manieren: innoveren, vergaand omschakelen/extensiveren, verplaatsing of vrijwillig stoppen. Het kabinet kiest ervoor om boeren in de buurt van beschermde natuurgebieden de mogelijkheid te geven om te stoppen via een eenmalige en tijdelijke regeling die het best mogelijke aanbod is. Met andere woorden, een betere regeling dan deze komt er niet. De regeling is bedoeld voor een significant grotere groep dan aanbevolen door de heer Remkes, waardoor de druk op de natuur sneller kan worden verlaagd en er meer ruimte komt om PAS-melders te legaliseren en belangrijke projecten toe te staan. Het kabinet werkt deze zogenoemde LBV plus-regeling momenteel verder uit en streeft ernaar om de regeling vanaf april 2023 open te stellen. Uiterlijk in januari worden criteria gepubliceerd op rijksoverheid.nl en aanpakstikstof.nl zodat duidelijk is wie in aanmerking komt voor deze regeling. Ook zal dan informatie gegeven worden over het verdere proces. Uitgangspunt van de gehele aanpak is en blijft vrijwilligheid. In het najaar van 2023 zal het kabinet toetsen aan de hand van (voorziene) resultaten van de aanpak of er voldoende zicht is op het halen van de doelen. Zo niet, dan zal met pijn in het hart overgegaan moeten worden tot de inzet van verplichtend instrumentarium voor een selecte groep piekbelasters. Industrie Ook voor piekbelasters in de industrie geldt dat het versneld terugdringen van stikstofdepositie en verduurzaming noodzakelijk is. Deze aanpak wordt apart vormgegeven om goed aan te sluiten op het bestaand beleid en de kenmerken van de sector. Met de circa 50 grootste piekbelasters uit de industrie wordt ingezet op het aanscherpen van vergunningen en versnelde verduurzaming. Ook hiervoor moeten de afspraken in 2023 gemaakt zijn en leiden tot een flinke stikstofreductie. Binnenkort maakt het kabinet de voorlopige stikstofreductiedoelen voor andere sectoren zoals de industrie bekend. Legaliseren van PAS-meldingen Het legaliseren van PAS-melders heeft prioriteit voor het kabinet. Deze bedrijven, veelal boeren en hun gezinnen, zijn door tekortschietend overheidsbeleid in forse onzekerheid gekomen. Dit geldt zeker voor PAS-melders waar handhaving dreigt. De situatie waarin zij zitten is verschrikkelijk. Het kabinet doet er samen met de provincies alles aan om deze mensen en hun bedrijven niet te laten vallen. Daarvoor stelt het kabinet 250 miljoen euro beschikbaar voor provincies om maatwerk toe te passen. Provincies kunnen daartoe direct maatregelen nemen. Ook willen we samen met provincies, al lerend van elkaar, kijken welke mogelijkheden er zitten in de regelgeving om PAS-melders te legaliseren. Tot slot, als afzien van handhaving niet mogelijk is, komt het kabinet met een schadeloket om de geleden schade te vergoeden. Minister Van der Wal: “Ik begrijp dat dit de onzekerheid van de mensen die het treft niet wegneemt, maar het kabinet spant zich tot het uiterste in om deze mensen niet te laten vallen.” Regie op stikstofruimte Om op lange termijn meer stikstofruimte te creëren, gaat het kabinet de huidige bronmaatregelen (maatregelen om de stikstofuitstoot aan de bron te beperken) versterken en versnellen. Het kabinet stelt 400 miljoen euro extra beschikbaar voor het programma Schoon en Emissieloos bouwen. Ook wordt er 200 miljoen euro beschikbaar gesteld voor een aantal specifieke (bovenwettelijke) stikstofmaatregelen op het gebied van industrie, bouw en mobiliteit. De ruimte die ontstaat door landelijke bronmaatregelen, wordt zorgvuldig geregistreerd in het stikstofregistratiesysteem. Het kabinet zet in op sterke regie over de verdeling van de ontstane stikstofruimte. Opvolging advies Remkes Met onder meer de aanpak piekbelasters volgt het kabinet het advies van de heer Remkes op. De aanpak op korte termijn is ook noodzakelijk om de boeren die door willen ook op de lange termijn ontwikkelruimte te bieden in hun transitie naar kringlooplandbouw. Maar het kabinet wil ook een langjarige duurzame toekomst voor de agrarische sector borgen: een toekomstbestendige positie van de landbouw als strategisch belangrijke economische sector, koploper op innovatie, producent van duurzaam voedsel, een vitaal platteland. Tegelijkertijd speelt de landbouw een belangrijke rol in het realiseren van de doelen op gebied van natuur, water, bodem en klimaat. Middels het Nationaal Programma Landelijk Gebied werken de provincies aan de gebiedsgerichte transitie om de natuur- water- en klimaatdoelen te realiseren. Aanscherpen en vereenvoudigen van de toestemmingsverlening Verschillende gerechtelijke uitspraken hebben de afgelopen jaren laten zien dat vergunningverlening lang niet altijd stand houdt voor de rechter. Dat zorgt voor onzekerheid voor ondernemers en bevoegde gezagen. Daarom zet het kabinet stappen om toestemmingverlening mogelijk te houden en tegelijkertijd minder onzeker te maken. Het kabinet constateert, op basis van gerechtelijke uitspraken en onderzoek naar gebruik van Rav-factoren (emissiefactoren), dat Rav-factoren onvoldoende betrouwbaar zijn om op basis hiervan nieuwe natuurvergunningen voor emissiearme stalsystemen te kunnen verlenen. Voor agrarische ondernemers die van plan zijn om een nieuw emissiearm stalsysteem te bouwen, betekent dit dat zij voortaan een passende beoordeling moeten uitvoeren om na te gaan of zij een natuurvergunning hiervoor kunnen krijgen. De bestaande handreiking passende beoordeling wordt hiervoor in overleg met de provincies en betrokken sectorpartijen aangepast. Voor natuurvergunningen die al zijn verleend en waarbij het niet meer mogelijk is om bezwaar of beroep in te stellen, heeft dit voornemen van het kabinet geen gevolgen. Buiten kijf staat dat innovatie een belangrijke rol speelt en blijft spelen in het halen van de doelen, of het nu gaat om natuur, klimaat of water. Daarom zet het kabinet zich samen met de provincies en de sector in op het vereenvoudigen van de vergunningaanvraag hiervoor en het stimuleren van innovatie om de doelen te halen. Tot slot kijkt het kabinet naar mogelijkheden om administratieve lasten voor bouwprojecten met kleine stikstofdeposities te beperken. Voor de lange(re) termijn is het doel toestemmingverlening te vereenvoudigen en ontwikkelperspectief te bieden voor economische en maatschappelijke activiteiten Zo onderzoekt het kabinet een ondergrens waarmee bepaalde projecten niet vergunningplichtig zijn. Uitgangspunt hierbij is dat eventuele negatieve gevolgen op beschermde natuurgebieden nadrukkelijk kunnen worden uitgesloten.

Uitspraak Brabant stikstof die vrij komt door stal aanpassen mag niet hergebruik worden

Direct naar inhoudDirect naar navigatiemenu Uitspraken Zoekresultaat - inzien documentECLI:NL:RBOBR:2022:5151 Instantie Rechtbank Oost-Brabant Datum uitspraak 24-11-2022 Datum publicatie 24-11-2022 Zaaknummer SHE 22/230 Rechtsgebieden Bestuursprocesrecht Bijzondere kenmerken Eerste aanleg - meervoudig Inhoudsindicatie Intrekken natuurvergunning en IOV. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een verzoek van eiseres om gedeeltelijke intrekking van een natuurvergunning. Eiseres heeft verzocht om intrekking van een natuurvergunning uit 2016 voor een (nog niet gerealiseerde) stal bij een varkenshouderij in Esbeek omdat er geen passende maatregelen worden genomen om de verslechtering van het nabijgelegen Natura 2000-gebied Kempenland West te voorkomen. Het college denkt dat er voldoende andere passende maatregelen (zullen) worden genomen zodat intrekking van de natuurvergunning niet nodig is. De rechtbank vindt dat het college daarover niet genoeg duidelijkheid heeft geboden. Het college heeft niet duidelijk gemaakt binnen welk tijdpad op grond van artikel 1.12b van de Wet natuurbescherming (Wnb) landelijke maatregelen zullen worden uitgevoerd om de verslechtering van Natura 2000-gebied Kempenland West te voorkomen en wanneer verwacht wordt dat deze maatregelen effectief zijn. Het is de rechtbank niet duidelijk wat de uitkoop van zeven piekbelasters in Noord-Brabant oplevert voor het Natura 2000-gebied Kempenland West. De rechtbank heeft op meerdere punten twijfels over de effectiviteit van het provinciale maatregelenpakket. Daarom mag het college het intrekkingsverzoek niet afwijzen met een verwijzing naar beide maatregelenpakketten en moet het college opnieuw en beter gemotiveerd beslissen op het intrekkingsverzoek. Dat is een hard gelag voor vergunninghoudster die al jarenlang bezig is met haar plannen. Daar mag het college evenwel geen rekening mee houden want artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb biedt geen ruimte voor een belangenafweging. Als het college niet inzichtelijk maakt welke andere concrete landelijke of provinciale maatregelen worden genomen om de dreigende achteruitgang van natuurwaarden in Kempenland West te voorkomen, is de gedeeltelijke intrekking van de natuurvergunning van vergunninghoudster de enige passende maatregel. Vindplaatsen Rechtspraak.nl Verrijkte uitspraak Uitspraak RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 22/230 uitspraak van de meervoudige kamer van 24 november 2022 in de zaak tussen Stichting Brabantse Milieufederatie, uit Tilburg, eiseres (gemachtigde: [gemachtigde 1] ), en het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant (het college) (gemachtigden: mr. R.D. Reinders en mr. L.M.C. Cloodt). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: DOVO B.V., te Esbeek, vergunninghoudster (gemachtigde: [gemachtigde 2] ). Inleiding 1.1 Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een verzoek van eiseres om gedeeltelijke intrekking van een natuurvergunning uit 2016 voor een stal bij een varkenshouderij in Esbeek. Eiseres heeft verzocht om intrekking van het niet gebruikte gedeelte van deze natuurvergunning omdat er geen passende maatregelen worden genomen om de verslechtering van het nabijgelegen Natura 2000-gebied Kempenland West te voorkomen. Het college denkt dat er voldoende andere passende maatregelen (zullen) worden genomen zodat intrekking van de natuurvergunning niet nodig is. De rechtbank vindt dat het college daarover niet genoeg duidelijkheid heeft geboden. Het college heeft niet duidelijk gemaakt binnen welk tijdpad op grond van artikel 1.12b van de Wet natuurbescherming (Wnb) landelijke maatregelen zullen worden uitgevoerd om de verslechtering van Natura 2000-gebied Kempenland West te voorkomen en wanneer verwacht wordt dat deze maatregelen effectief zijn. Het is de rechtbank niet duidelijk wat de uitkoop van zeven piekbelasters in Noord-Brabant oplevert voor het Natura 2000-gebied Kempenland West. De rechtbank heeft op meerdere punten twijfels over de effectiviteit van het provinciale maatregelenpakket. Daarom mag het college het intrekkingsverzoek niet afwijzen met een verwijzing naar beide maatregelenpakketten en moet het college opnieuw en beter gemotiveerd beslissen op het intrekkingsverzoek. Dat is een hard gelag voor vergunninghoudster die al jarenlang bezig is met haar plannen. Daar mag het college evenwel geen rekening mee houden want artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb biedt geen ruimte voor een belangenafweging. Als het college niet inzichtelijk maakt welke andere concrete landelijke of provinciale maatregelen worden genomen om de dreigende achteruitgang van natuurwaarden in Kempenland West te voorkomen, is de gedeeltelijke intrekking van de natuurvergunning van vergunninghoudster de enige passende maatregel. 1.2 In deze uitspraak zet de rechtbank eerst het procesverloop en de feiten op een rij. Daarna geeft de rechtbank een korte samenvatting van de standpunten van partijen en legt de rechtbank uit hoe zij de zaak beoordeelt. Vervolgens behandelt de rechtbank de afzonderlijke beroepsgronden van eiseres. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Totstandkoming van het bestreden besluit en de behandeling door de rechtbank 2.1 Het college heeft het intrekkingsverzoek van eiseres afgewezen in het besluit van 1 april 2021. In het besluit van 21 december 2021 (verder het bestreden besluit) heeft het college de afwijzing met een aangevulde motivering in stand gelaten. 2.2 Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. 2.3 Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.4 De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van het college van 21 december 2021 op 8 november 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, de gemachtigden van het college en [naam 1] en [naam 2] namens vergunninghoudster, bijgestaan door de gemachtigde. Beoordeling Feiten 3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.  Vergunninghoudster heeft een varkenshouderij aan de [adres 1] .  In de nabijheid van het bedrijf liggen meerdere Natura 2000-gebieden, waaronder het Natura 2000-gebied Kempenland West. Het gaat niet goed met dit Natura 2000-gebied. Uit de laatste gebiedsanalyse van 2017 blijkt dat op nagenoeg alle habitattypes binnen het gebied sprake is van een 100% overbelasting van de kritische depositiewaarde, waaronder de habitattypes zwak gebufferde vennen en stuifzandheiden.  Voor de varkenshouderij heeft het college op 16 januari 2016 een vergunning op basis van de Natuurbeschermingswet 1998 verleend. Deze vergunning is na de inwerkingtreding van de Wnb gelijkgesteld met een vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb (verder aangeduid als natuurvergunning). Deze natuurvergunning ziet op twee bestaande stallen (stal 1 en 2) voor het houden van gespeende biggen en vleesvarkens. Verder is de natuurvergunning verleend voor een nieuwe stal 3 voor 6.100 vleesvarkens.  Ten behoeve van deze ontwikkeling is ook het bestemmingsplan “Buitengebied herziening Larestraat 2a” vastgesteld op 18 mei 2017. Dit bestemmingsplan is onherroepelijk. Voor de uitbreiding van de inrichting is nog geen omgevingsvergunning (milieu en bouwen) verleend. Stal 3 is nog niet gebouwd.  In de uitgangssituatie (en de bestaande situatie) veroorzaakt het bedrijf met stallen 1 en 2 volgens de berekening met het oude programma AGRO Stacks in de natuurvergunning een stikstofdepositie van 8,17 mol/hectare/jaar op het Natura 2000-gebied Kempenland West.  Door de realisatie van stal 3 (zoals vergund in 2016) zal deze stikstofdepositie toenemen met 2,62 mol/hectare/jaar (berekend met AERIUS). In de natuurvergunning van 2016 is deze toename extern gesaldeerd met de intrekking van een omgevingsvergunning beperkte milieutoets van een bedrijf aan de [adres 2] . Dat bedrijf was ook van vergunninghoudster. Deze vergunning is op 2 juli 2015 ingetrokken door het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek (B&W).  Op 2 november 2020 heeft eiseres het college verzocht de natuurvergunning in te trekken, voor wat betreft de niet-gerealiseerde stal 3, waarin 6.100 vleesvarkens gehuisvest kunnen worden. Het verzoek is gebaseerd op artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb. Eiseres verzoekt niet om intrekking van de natuurvergunning voor stal 1 en 2.  Als gevolg van de wijziging van de Regeling geurhinder en veehouderij heeft vergunninghoudster besloten haar plannen aan te passen, stal 3 aan te passen en 2.990 dieren te gaan houden. Hiervoor heeft vergunninghoudster een m.e.r.-beoordelingsnotitie voorgelegd aan B&W op 18 december 2020. B&W heeft nog niet aangegeven of hij het noodzakelijk vindt dat een milieueffectrapportage wordt opgesteld. Voor de wijziging van de plannen is vermoedelijk ook een wijziging van het bestemmingsplan noodzakelijk. Standpunten partijen 4.1 In het besluit van 1 april 2021 heeft het college het gedeeltelijk intrekken van de natuurvergunning onevenredig gevonden gelet op het belang van vergunninghoudster bij het behoud van zijn onherroepelijke natuurvergunning. 4.2 De provinciale bezwaarschriftencommissie (HAC) heeft in haar advies aangegeven dat het college alleen lijkt te hebben beoordeeld of aanleiding bestond de natuurvergunning in te trekken op basis van artikel 5.4, eerste lid, van de Wnb. Het verzoek is gebaseerd op artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb. De HAC vindt dat het college onvoldoende duidelijk heeft gemaakt welke andere passende maatregelen (zullen) worden getroffen en op welke termijn dit zal gebeuren. De HAC geeft aan dat het verzoek aanleiding had kunnen zijn om de intrekking als een gerichte passende maatregel te beoordelen. 4.3 In het bestreden besluit stelt het college in aanvulling op het besluit van 1 april 2021 dat het niet noodzakelijk is om de natuurvergunning voor stal 3 in te trekken. Het college verwijst hiervoor naar de provinciale maatregelen in de Brabantse Ontwikkelaanpak Stikstof (BOS). Volgens het college zijn alleen al de verscherpte maatregelen (de strengere eisen die worden gesteld aan stalsystemen bij veehouderijen) in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) genoeg om de stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied Kempenland West met meer dan de helft te verlagen. Het college verwijst in het bestreden besluit en in het verweerschrift ook naar het landelijke maatregelenpakket ter uitvoering van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering en naar de vrijwillige opkoop van zeven piekbelasters (bedrijven met een hoge stikstofdepositie) in de provincie Noord-Brabant. Beide maatregelenpakketten worden hieronder kort uitgelegd. 4.4 De wetgever heeft de Wnb per 1 juli 2021 aangevuld. In artikel 1.12a van de Wnb staan resultaatsverplichtingen. In 2035 mag op 74% van het areaal van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden de kritische depositiewaarde niet meer worden overschreden. Om aan deze resultaatsverplichting te voldoen moet de totale stikstofemissie (niet alleen van de landbouw maar ook van de overige sectoren zoals industrie en vervoer) in 2035 met 50% zijn verminderd. Het landelijk maatregelenpakket is na het bestreden besluit beschreven in het ontwerpprogramma stikstofreductie en natuurverbetering.1 De maatregelen gericht op de landbouw met het hoogste effect in 2030 (uitgedrukt in mol/hectare/jaar) zijn:  gerichte opkoop piekbelasters (9,1);  landelijke beëindigingsregeling piekbelasters veehouderij (31,7);  verlagen ruw eiwitgehalte in veevoer (18-67);  stalmaatregelen: innoveren, investeren en normeren emissiearme stallen (29-41). 4.5 Het college heeft op 15 december 2020 de BOS vastgesteld.2Bovenop het nog niet vastgestelde landelijke pakket worden in alle sectoren nog 22 extra maatregelen genomen. De belangrijkste maatregelen zijn de stalmaatregelen in paragraaf 2.7.1 van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV). Dit zijn maatregelen op grond van artikel 2.4, derde lid, van de Wnb. Er worden eisen gesteld aan bestaande stallen en nieuwe stallen. Deze eisen komen er op neer dat deze stallen (dat wil zeggen de huisvestingssystemen in de stallen) moeten voldoen aan de eisen in bijlage 2 van de IOV. Kort gezegd betekent dit dat de bestaande stallen per 1 januari 2024 op bedrijfsniveau emissiearm moeten zijn uitgevoerd en dat alle nieuwe stallen (stallen gebouwd na 25 mei 2010) emissiearm moeten worden uitgevoerd. Aan het bestreden besluit is het overzicht bouwstenen aanpak stikstof Noord-Brabant toegevoegd. De bouwstenen bestaan uit een versterking van de Natura 2000-gebieden en minder stikstofuitstoot om toch ontwikkelingen binnen Noord-Brabant mogelijk te maken. De stalmaatregelen in de IOV zijn de voornaamste maatregelen. Voor het Natura 2000-gebied Kempenland West zou dit volgens het bij het bestreden besluit gevoegde overzicht aanpak stikstof Brabant, versie november 2021, het volgende betekenen:  De stikstofdepositie ten gevolge van stallen in Brabantse veehouderijen bedraagt 678 mol/hectare/jaar in maart 2020.  Op 31 december 2023 zou deze depositie gaan dalen naar 388 mol/hectare/jaar (herrekend op basis van de emissie-eisen tot en met 2023 inclusief interne saldering).  Op 31 december 2027 zou deze depositie gaan dalen naar 322 mol/hectare/jaar (herrekend op basis van de emissie-eisen 2024-2027 inclusief interne saldering).  Vanaf 2028 zou deze depositie 285 mol/hectare/jaar moeten bedragen (herrekend op basis van de emissie-eisen tot en met 2023 inclusief interne saldering). 5. Eiseres stelt dat artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb het college geen ruimte geeft om rekening te houden met de belangen van vergunninghoudster. Zij vindt vervolgens dat het tempo van het landelijke maatregelenpakket te laag ligt en niet voorziet in de noodzakelijke daling binnen een afzienbare termijn. Volgens eiseres zijn het landelijke maatregelenpakket en de provinciale maatregelen op grond van de IOV niet duidelijk genoeg en niet effectief. De natuurherstelmaatregelen zijn pas effectief als de stikstofdepositie is gedaald. Daarom is intrekking van de natuurvergunning voor stal 3 van het bedrijf van vergunninghoudster noodzakelijk. Ter zitting heeft eiseres aangegeven dat het college de natuurvergunning voor stal 3 in ieder geval gedeeltelijk had kunnen intrekken (zodat de nieuwe plannen van vergunninghoudster wel kunnen worden uitgevoerd). Hoe beoordeelt de rechtbank deze zaak? 6.1 Artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn3 verplicht tot het treffen van passende (preventieve) maatregelen die nodig zijn om verslechteringen en verstoringen die significante effecten kunnen hebben op de soorten en habitattypen waarvoor een Natura 2000-gebied is aangewezen, te voorkomen. Het Hof van Justitie heeft in het arrest van 14 januari 20164 geoordeeld dat de lidstaten bij het nemen van passende maatregelen beschikken over een beoordelingsmarge, mits gewaarborgd is dat er geen verslechtering of verstoring plaatsvindt. Het is met andere woorden aan de lidstaten ter beoordeling welke maatregelen worden getroffen, maar deze maatregelen moeten worden uitgevoerd als verslechteringen of verstoringen met significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied dreigen. 6.2 Op basis van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb moet het college de natuurvergunning intrekken of wijzigen als dat nodig is ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Het maakt hierbij niet uit dat de natuurvergunning onherroepelijk is. Het college heeft beoordelingsruimte bij de keuze van de noodzakelijke passende maatregelen. Als de intrekking van de natuurvergunning de enige passende maatregel is om de dreigende achteruitgang van natuurwaarden te voorkomen, dan moet het college de natuurvergunning intrekken of wijzigen. Ook als andere passende maatregelen getroffen kunnen worden, kan het college binnen de beoordelingsruimte die het heeft, kiezen voor de intrekking of wijziging van de natuurvergunning. Het college moet motiveren welke keuzes worden gemaakt bij de invulling van de beoordelingsruimte door inzichtelijk te maken met welke maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van stikstofdepositie binnen een afzienbare termijn. Met andere woorden: het college moet duidelijk maken welke maatregelen worden getroffen, wat voor effect deze maatregelen gaan hebben en wanneer de maatregelen effect gaan hebben. De rechtbank haalt dit toetsingskader uit de uitspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 januari 2021.5 Beoordeling beroepsgronden 7.1 Eiseres heeft aangevoerd dat artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb aan de orde is en dat aan de vergunning geen passende maatregelen waren gekoppeld, maar mitigerende maatregelen, wat door de bezwaarcommissie is bevestigd. Het college heeft in het bestreden besluit niet aangegeven waarom dit standpunt van eiseres onjuist zou zijn. 7.2 Het college heeft in het bestreden besluit en ter zitting aangegeven dat het onevenredig zou zijn om de onherroepelijke natuurvergunning voor stal 3 in te trekken en kiest daarom voor de inzet van andere passende maatregelen. 7.3 De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat ten behoeve van het Natura 2000-gebied Kempenland West passende maatregelen moeten worden getroffen om verdere achteruitgang tegen te gaan, omdat in dat gebied sprake is van een forse overbelasting en dus dat verslechteringen of verstoringen met significante gevolgen dit gebied bedreigen. Het verzoek van eiseres is uitsluitend gebaseerd op artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb. 7.4 Naar het oordeel van de rechtbank biedt artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb het college geen ruimte om andere belangen te betrekken bij het gebruik van de intrekkingsbevoegdheid. Als het college dit heeft bedoeld, dan is dit in strijd met artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb. 7.5 Het college kan wel kiezen voor andere passende maatregelen om vergunninghoudster te ontzien. De rechtbank maakt uit het bestreden besluit en het verweerschrift op dat dit de bedoeling lijkt te zijn geweest van het college. Het college verwijst naar (en kiest kennelijk voor) het landelijke maatregelenpakket en het provinciale maatregelenpakket. Het college heeft inderdaad beoordelingsruimte bij de keuze voor passende maatregelen en moet het gebruik van deze beoordelingsruimte motiveren. Het college kan dat naar het oordeel van de rechtbank doen door uit te leggen welke andere maatregelen zijn of zullen worden getroffen, binnen welk tijdpad de maatregelen worden uitgevoerd en wanneer verwacht wordt dat deze effectief zijn.6 8.1 Eiseres is van mening dat het landelijke maatregelenpakket te langzaam gaat. Uit het rapport “Onderzoek naar een ecologisch noodzakelijke reductiedoelstelling van stikstof” van A.B. van den Burg e.a. (2021) (Rapport Van den Burg) komt volgens eiseres naar voren dat een emissiereductie van 70% nodig is in 2035 en niet slechts een emissiereductie van 50%. Deze doelstelling wordt onderstreept door het eindrapport van het Adviescollege Stikstofproblematiek van 8 juni 2020 en het rapport van de Algemene Bestuursdienst van maart 2021: “Stikstofruimte voor de toekomst, Langetermijnverkenning stikstofproblematiek: doel, integriteit en regie” en door het Coalitieakkoord van het huidige kabinet “Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst” van 15 december 2021 (hierna: het Coalitieakkoord). Alle rapporten wijzen er op dat een emissiereductie van 70% per 2035 noodzakelijk is. Eiseres benadrukt dat het Rapport Van den Burg de enige ecologische onderbouwing is. 8.2 Het college heeft op de zitting in het midden gelaten of zij de urgentie in de door eiseres genoemde stukken deelt. Het college wijst er op dat in het Rapport Van den Burg maatregelen op basis van artikel 6, eerste lid, van de Habitatrichtlijn en passende maatregelen op grond van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn door elkaar worden gebruikt. 8.3 De rechtbank is van oordeel dat het college niet voldoende heeft gemotiveerd dat het tempo van het landelijke maatregelenpakket en de huidige resultaatsverplichtingen in het huidige artikel 1.12a van de Wnb voldoende zijn om verdere verslechteringen en verstoringen met significante effecten op Natura 2000-gebied Kempenland West tijdig te beperken en te voorkomen. Alleen daarom al is onvoldoende inzichtelijk of deze maatregelen zullen leiden tot de noodzakelijke daling van stikstofdepositie binnen een afzienbare termijn. 8.4 Het college heeft verder verwezen naar de monitoringsverplichting in artikel 1.12f van de Wnb en artikel 2.2 van het Besluit natuurbescherming en de mogelijkheid om het programma stikstofreductie en natuurverbetering tussentijds te wijzigen. Deze monitoring leidt echter niet tot bijstelling van de resultaatsverplichtingen in artikel 1.12a van de Wnb. De monitoring zou wel kunnen leiden tot bijstelling van het programma en de daarin opgenomen tussentijdse doelstellingen op grond van artikel 1.12g, tweede lid, van de Wnb. Dat zijn overigens inspanningsverplichtingen. Het college heeft niet gesteld, noch is de rechtbank op een andere wijze gebleken dat ten tijde van het bestreden besluit of op dit moment monitoring plaatsvindt, laat staan wat de resultaten van deze monitoring zijn. Bovendien was er ten tijde van het bestreden besluit of op dit moment niet eens een definitief programma stikstofreductie en natuurverbetering vastgesteld want ook dat programma laat op zich wachten. Deze verwijzing kan het college daarom niet baten en leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. 9.1 Eiseres vindt dat het college met de verwijzing naar artikel 1.12a van de Wnb en het concept maatregelenpakket alsmede met de verwijzing naar de BOS en de IOV onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt met welke maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van stikstofdepositie binnen een afzienbare termijn. 9.2 Het college heeft in het verweerschrift verwezen naar het landelijke maatregelenpakket en heeft hierbij vooral gewezen op de opkoop van zeven piekbelasters waarmee zo’n 37.300 kilo stikstofemissie zal verdwijnen. Het college heeft verder verwezen naar het traject om nieuwe beheerplannen en/of gebiedsanalyses voor Brabantse Natura 2000-gebieden vast te stellen. 9.3 De Afdeling heeft het landelijke maatregelenpakket uitgebreid besproken in de uitspraak van 2 november 2022.7 De rechtbank benadrukt dat dit is gebeurd in kader van een beoordeling van de vaststelling van een inpassingsplan. Dit is een beoordeling op basis van artikel 2.8, derde lid, van de Wnb (en dus artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn en niet artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn). 9.4 Ook de rechtbank (in navolging van de Afdeling in rechtsoverweging 41.1 van de genoemde uitspraak) vindt dat de verwachtingen van de verantwoordelijke ministers over de positieve effecten van het pakket met nieuwe bronmaatregelen met vele onzekerheden zijn omgeven. De rechtbank zal de vier hierboven genoemde landelijke maatregelen voor de landbouw met het hoogste effect in 2030 bespreken aan de hand van de overwegingen van de Afdeling in de uitspraak van 2 november 2022. 9.5 De maatregelen voor de gerichte opkoop van piekbelasters (rechtsoverweging 41.3.2) zijn in uitvoering en hebben geleid tot de uitkoop van 7 piekbelasters rondom Natura 2000-gebieden in Noord-Brabant. Het college heeft in het bestreden besluit en ter zitting niet aangegeven waar de bedrijven liggen, meer in het bijzonder of de uitkoop van deze piekbelasters positieve effecten heeft voor het Natura 2000-gebied Kempenland West en zo ja, wat deze effecten dan zijn. De rechtbank vindt dat het op de weg van het college had gelegen om dit wel inzichtelijk te maken. De enkele omstandigheid dat 7 piekbelasters zijn uitgekocht maakt niet dat aannemelijk is dat andere piekbelasters ook worden uitgekocht. Het college wijst wel op andere vrijwillige opkoopregelingen, maar er moeten dan ook agrariërs zijn die willen worden uitgekocht. Indien zij niet worden uitgekocht, dan is volgens de rechtbank ook niet aannemelijk dat binnen afzienbare termijn de gevolgen van deze piekbelasters voor het Natura 2000-gebied Kempenland West zodanig zijn verminderd dat het college kan afzien van gedeeltelijke intrekking van de natuurvergunning van vergunninghoudster. 9.6 De Afdeling gaat in haar uitspraak van 2 november 2022 tevens in op de landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (rechtsoverweging 41.3.3) en stelt vast dat deze pas zal worden uitgevoerd in het derde kwartaal van 2022 en het eerste kwartaal van 2023. De rechtbank kan uit het bestreden besluit of het verweerschrift niet opmaken of deze maatregelen in gang zijn gezet, wat de positieve effecten van deze maatregelen zijn voor het Natura 2000-gebied Kempenland West en of deze positieve effecten binnen afzienbare termijn worden bereikt. De enkele stelling dat de maatregelen zullen worden uitgevoerd, is voor de rechtbank onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat het college kan afzien van intrekking. De rechtbank neemt hierbij ook in aanmerking dat het gaat om een vrijwillige regeling en dat het college niet heeft onderbouwd dat er gegadigden zijn of zullen zijn. 9.7 De maatregel inzake het verlagen van het ruweiwitgehalte in veevoer voor varkens, pluimvee en melkvee wordt behandeld door de Afdeling in rechtsoverweging 41.3.4 van de genoemde uitspraak. De maatregel was ten tijde van het bestreden besluit niet uitgevoerd en is nog steeds niet uitgevoerd. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze maatregel in de toekomst op afzienbare termijn wordt uitgevoerd. Het enkele noemen van de maatregel is volgens de rechtbank onvoldoende om van gedeeltelijke intrekking van de natuurvergunning af te zien. 9.8 In de genoemde uitspraak van de Afdeling wordt niets gezegd over landelijke stalmaatregelen. De rechtbank stelt wel vast dat in de BOS wordt aangegeven dat de provinciale stalmaatregelen verder gaan dan de landelijke stalmaatregelen. De landelijke stalmaatregelen hebben daarom geen zelfstandig effect voordat ze worden getroffen in Brabantse stallen. De stalmaatregelen in andere provincies zouden een positief effect kunnen hebben op Brabantse Natura 2000-gebieden, maar de rechtbank betwijfelt het effect op het Natura 2000-gebied Kempenland West. Dit effect zal beperkt zijn omdat dit gebied midden in de provincie ligt. Het college heeft hierover niets aangevoerd of onderbouwd in het bestreden besluit. Het enkele noemen van de maatregel is onvoldoende om van gedeeltelijke intrekking van de natuurvergunning af te zien. De rechtbank verwijst verder naar wat zij hieronder oordeelt over de provinciale stalmaatregelen. 9.9 De rechtbank ziet tot slot niet in dat de vaststelling van beheerplannen voor Brabantse Natura 2000-gebieden een landelijke maatregel is. Het college stelt de plannen per slot van rekening zelf vast. Eiseres heeft het positieve effect van herstelmaatregelen apart bestreden en deze beroepsgrond zal hieronder apart worden behandeld. 9.10 De rechtbank concludeert dat het college met de verwijzing naar het landelijke maatregelenpakket ten behoeve van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering niet aannemelijk of inzichtelijk heeft gemaakt dat door de uitvoering hiervan zodanig positieve effecten voor het Natura 2000-gebied Kempenland West optreden dat het college kan afzien van gedeeltelijke intrekking van de natuurvergunning van vergunninghoudster. 10.1 Eiseres plaatst vraagtekens bij de stelling van het college dat de uitvoering van de BOS (in het bijzonder de verplichte stalmaatregelen op grond van de IOV) leidt tot een verlaging van 50% van de depositie in 2027. De hierin genoemde emissiereductie van stallen met 50% is slechts een deel van de emissie en depositie. Verder wordt depositie niet alleen door de landbouw veroorzaakt. De IOV gaat bovendien uit van de inzet van technische middelen, zoals emissiearme vloeren met mestschuiven bij rundvee en luchtwassers en andere emissiearme staltypen bij bijvoorbeeld varkens. Op basis van tal van onderzoeken moet inmiddels ernstig getwijfeld worden of deze emissiereducties wel haalbaar zijn. Ter zitting heeft eiseres ook aangegeven dat de positieve effecten van de stalmaatregelen (als ze er al zijn) deels teniet worden gedaan omdat met behulp van salderen ook meer dieren worden gehouden om de investeringen te bekostigen. Per saldo daalt de depositie dus niet. De natuurherstelmaatregelen in de BOS kunnen alleen effectief zijn wanneer de noodzakelijke daling van de stikstofdepositie binnen afzienbare termijn wordt bereikt. Het college heeft volgens eiseres niet onderbouwd dat er alternatieve maatregelen zijn om de noodzakelijke daling van de stikstofdepositie te bereiken. 10.2 Het college heeft vertrouwen in de BOS en de stalmaatregelen in de IOV en is van mening dat hierdoor voldoende aannemelijk is dat binnen afzienbare termijn met andere passende maatregelen verdere verslechteringen in Natura 2000-gebieden worden voorkomen. 10.3 De rechtbank heeft twee bedenkingen bij de stalmaatregelen in de IOV. 10.4 Inmiddels is in verschillende uitspraken geoordeeld over het effect van de stalmaatregelen van de IOV. Deze uitspraken zijn gedaan voordat het bestreden besluit werd genomen. Er zijn gerede twijfels over het succes van de maatregelen in melkrundveestallen, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 7 september 20228 in het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 september 20219 en de uitspraak van deze rechtbank van 8 april 2022.10 Het staat niet vast dat de betrokken emissiearme stalsystemen daadwerkelijk zullen leiden tot een gelijkblijvende of lagere stikstofdepositie. De rechtbank verwijst ook naar haar uitspraak van 28 oktober 2022 over (de zekerheid van) het effect van emissiearme stalsystemen bij het houden van jongvee11. De rechtbank is in deze uitspraak van oordeel dat te onzeker is of de afwijkende emissiefactor voor jongvee in de IOV wel klopt. Soortgelijke twijfel over het succes van stalmaatregelen bestaat ook over maatregelen in varkensstallen. De rechtbank verwijst naar de tussenuitspraak van 9 april 2021.12 De rechtbank heeft nog geen door het college verleende natuurvergunningen gezien waarbij voorschriften zijn gesteld om het succes van de voorgeschreven stalmaatregelen te borgen (ofwel beschermingsmaatregelen zijn getroffen). Hetzelfde geldt voor maatregelen in pluimveestallen.13 Gelet op deze uitspraken is de rechtbank van oordeel dat niet voldoende aannemelijk is dat door het treffen van stalmaatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van stikstofdepositie binnen een afzienbare termijn. 10.5 De rechtbank ziet dat in de praktijk agrariërs investeringen in stallen bekostigen door meer dieren te gaan houden. Dat kunnen zij doen omdat zij de toename van ammoniakemissie door het houden van meer dieren salderen met de eigen bestaande rechten (intern salderen) of die van derden (extern salderen). Het positieve effect voor de natuur van de stalmaatregelen wordt daardoor grotendeels teniet gedaan. Zolang de natuurwinst wordt opgevuld door het houden van nog meer dieren, leiden de stalmaatregelen niet tot minder stikstofdepositie. Dat was anders toen het college nog artikel 2.6 van de Beleidsregel natuurbescherming Noord-Brabant (Beleidsregel) hanteerde waarin intern salderen beleidsmatig was beperkt. Deze rechtbank heeft artikel 2.6 van de Beleidsregel beschouwd als een passende maatregel in de uitspraak van 8 december 2021.14 Het college heeft dit artikel echter op 30 april 2021 ingetrokken na de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2021. Op grond van artikel 2.6, eerste lid, van de Beleidsregel zoals dat gold voor 30 april 2021, had de natuurvergunning van vergunninghoudster niet kunnen worden ingezet ten behoeve van interne saldering, omdat nog steeds een omgevingsvergunning voor het bouwen van stal 3 was vereist. Toepassing van de Beleidsregel zou dus hetzelfde effect hebben gehad als inwilliging van het verzoek van eiseres. Weliswaar worden in het overzicht van november 2021 effecten genoemd inclusief interne saldering, maar het college heeft ter zitting niet aangegeven of en zo ja, op welke wijze de intrekking van artikel 2.6 van de Beleidsregel per 30 april 2021 hierbij is betrokken. Zolang dit effect onzeker en niet inzichtelijk is, heeft de rechtbank vraagtekens bij het effect van de verplichte stalmaatregelen op grond van afdeling 2.7.1 van de IOV. 10.6 Gelet op bovenstaande bedenkingen is de rechtbank van oordeel dat het college met de verwijzing naar de BOS en in het bijzonder de stalmaatregelen in de IOV onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat hiermee uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van stikstofdepositie binnen een afzienbare termijn. Deze verwijzing vormt dus ook geen reden om af te zien van gedeeltelijke intrekking van de natuurvergunning van vergunninghoudster. 11.1 Eiseres merkt tot slot op dat het college niet kan volstaan met verwijzen naar herstelmaatregelen voor natuurverbetering. Natuurherstel lost niets op zolang de stikstofdepositie hoog blijft en staat volgens eiseres gelijk aan dweilen met de kraan open. 11.2 Het college stelt dat herstelmaatregelen nodig zijn om verdere verslechtering te voorkomen in combinatie met maatregelen ter verlaging van de stikstofdepositie en verwijst naar een artikel van het Planbureau voor de Leefomgeving.15 Het college verwijst verder naar de beheerplannen die in 2023 worden opgesteld voor Brabantse Natura 2000-gebieden. 11.3 De rechtbank kan uit de toelichting van het college niet opmaken dat alleen het treffen van herstelmaatregelen voldoende is en andere passende maatregelen, zoals de gedeeltelijke intrekking van de natuurvergunning van vergunninghoudster, alleen daarom al achterwege kunnen worden gelaten. Dit staat niet in het door het college aangehaalde artikel. Met de enkele verwijzing naar nog niet opgestelde beheerplannen heeft het college niet onderbouwd dat met herstelmaatregelen kan worden volstaan om de noodzakelijke daling van de stikstofdepositie te bereiken binnen afzienbare termijn. Bovendien heeft het college nagelaten aan te geven welke herstelmaatregelen zullen worden getroffen in het Natura 2000-gebied Kempenland West. Conclusie en gevolgen 12. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het college niet voldoende duidelijk heeft gemaakt wat voor effect andere passende maatregelen gaan hebben om de dreigende achteruitgang van Natura 2000-gebied Kempenland West te voorkomen. Bovendien heeft het college passende maatregelen genoemd zonder dat er enige aanwijzing is of en zo ja, wanneer deze maatregelen worden getroffen en wanneer de maatregelen effect gaan hebben. Het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd. Het beroep is gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. 13. De rechtbank kan niet overzien of en wanneer het college wel duidelijk kan maken dat er voldoende andere passende maatregelen worden getroffen binnen afzienbare termijn. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om een tussenuitspraak te doen en draagt het college op om een nieuw besluit te nemen binnen 12 weken na dagtekening van deze uitspraak met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geef hierbij de volgende aanwijzingen. Het college zal het effect van de voorgestane passende maatregelen meer inzichtelijk moeten maken en moeten ingaan op het specifieke effect van de diverse genoemde maatregelen op het Natura 2000-gebied Kempenland West, binnen welk tijdpad de maatregelen worden uitgevoerd en wanneer de maatregelen naar verwachting effect zullen hebben. Ook zal het college moeten aangeven of kan worden volstaan met een gedeeltelijke inwilliging van het verzoek, namelijk de intrekking van de natuurvergunning voor stal 3 tot 2.990 vleesvarkens, zoals eiseres ter zitting subsidiair heeft aangegeven. 14. De rechtbank ziet geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen en het gebruik van de natuurvergunning uit 2016, voor zover deze is verleend voor stal 3, te verbieden. De rechtbank ziet namelijk niet in dat stal 3 op korte termijn zal kunnen worden gebouwd, gelet op de vele stappen die vergunninghoudster hiervoor nog moet zetten. 15. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.518,00 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank:  verklaart het beroep gegrond;  vernietigt het besluit van 21 december 2021;  draagt het college op binnen 12 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;  bepaalt dat het college het griffierecht van € 360,00 aan eiseres moet vergoeden;  veroordeelt het college tot betaling van € 1.518,00 aan proceskosten aan eiseres. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2022 door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. D.J. Hutten en mr. R.H.W. Frins, leden, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier. griffier voorzitter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Wnb Artikel 1.12a Lid 1 Het percentage van het areaal van de voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden waarop de depositie van stikstof niet groter is dan de hoeveelheid in mol per hectare per jaar waarboven verslechtering van de kwaliteit van die habitats niet op voorhand is uit te sluiten, bedraagt: a.in 2025: ten minste 40%; b.in 2030: ten minste 50%; c.in 2035: ten minste 74%. Lid 2 De in het eerste lid bedoelde omgevingswaarden zijn resultaatsverplichtingen. Artikel 1.12b Lid 1 Onze Minister stelt een programma stikstofreductie en natuurverbetering vast: a. voor het verminderen van de depositie van stikstof op voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden om te voldoen aan de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 1.12a, eerste lid; en b. voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen voor de in onderdeel a bedoelde habitats. Daarbij houdt Onze Minister rekening met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied en met de regionale en lokale bijzonderheden. Lid 2 In het programma worden tussentijdse doelstellingen opgenomen met het oog op: a. het tijdig voldoen aan de omgevingswaarden; en b.de in het programma opgenomen maatregelen voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen. Lid 3De in het tweede lid bedoelde doelstellingen zijn inspanningsverplichtingen. Artikel 1.12f Lid 1 De bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bestuursorganen verzamelen gegevens over: a.de voortgang en de gevolgen van de maatregelen, opgenomen in het programma stikstofreductie en natuurverbetering; b.de ontwikkeling van de staat van instandhouding van de voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. Lid 2 De bestuursorganen verstrekken de gegevens aan Onze Minister. Lid 3 Onze Minister beoordeelt of wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 1.12a, eerste lid, en aan de tussentijdse doelstellingen, bedoeld in artikel 1.12b, tweede lid. Lid 4 Onze Minister zorgt voor de verslaglegging van de resultaten en zendt de verslagen aan beide kamers der Staten-Generaal. Artikel 1.12g Lid 1 Onze Minister wijzigt het programma stikstofreductie en natuurverbetering als uit de beoordeling, bedoeld in artikel 1.12f, derde lid, blijkt dat met het programma niet kan worden voldaan aan een omgevingswaarde als bedoeld in artikel 1.12a, eerste lid, of aan een tussentijdse doelstelling als bedoeld in artikel 1.12b, tweede lid. Lid 2 Het programma wordt zo gewijzigd dat binnen een passende termijn aan de omgevingswaarde wordt voldaan. Lid 3 Onverminderd het eerste en tweede lid wordt het programma ten minste iedere zes jaar geactualiseerd. Artikel 5.4, lid 2 Een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, wordt in elk geval ingetrokken of gewijzigd indien dat nodig is ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Artikel 2.2 Besluit natuurbescherming Lid 1. Monitoring voor de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 1.12a van de wet, en van de tussentijdse doelstellingen, bedoeld in artikel 1.12b, tweede lid, van de wet vindt plaats door metingen, berekeningen of het op andere wijze verzamelen van gegevens. Lid 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de uitvoering van de monitoring. Artikel 2.6 Beleidsregel natuurbescherming Noord-Brabant tot 30 april 2021 Artikel 2.6 Voorwaarden intern salderen 1.Een activiteit mag alleen worden ingezet ten behoeve van intern salderen voor zover er een toestemming was voor de N-emissie veroorzakende activiteit in de referentiesituatie en die sindsdien onafgebroken aanwezig is geweest of nog kan zijn tot het moment van intrekking of wijziging van de toestemming, zodat hervatting van de activiteit mogelijk was zonder dat daarvoor een natuurvergunning of omgevingsvergunning, onderdeel bouwen, is vereist. 2.Gedeputeerde Staten betrekken een toestemming die niet kan worden ingetrokken uitsluitend bij de beoordeling van de aanvraag, indien de feitelijke uitvoering van de activiteit wordt beëindigd voordat deze activiteit wordt ingezet voor salderen. 3.Gedeputeerde Staten betrekken bij de beoordeling van de aanvraag voor intern salderen uitsluitend de N-emissie van de activiteit voor zover intrekking van de daaraan ten grondslag liggende toestemming niet noodzakelijk is in verband met toepassing van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. 4.Gedeputeerde Staten gaan bij de beoordeling van een aanvraag voor een bedrijf dat deelneemt aan de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen eenmalig uit van maximaal de N-depositie behorende bij 15% van de NH3-emissies uit de betrokken dierenverblijven. 5.Bij het beoordelen van een aanvraag voor een natuurvergunning hanteren Gedeputeerde Staten als uitgangspunt dat alleen gebruik wordt gemaakt van de in de toestemming opgenomen N-emissie in de referentiesituatie, voor zover de capaciteit aantoonbaar feitelijk is gerealiseerd. 6.Bij de beoordeling van de feitelijk gerealiseerde capaciteit, bedoeld in het vijfde lid, gaan Gedeputeerde Staten uit van de op het moment van indienen van de aanvraag op grond van een toestemming volledig opgerichte installaties en gebouwen, of gerealiseerde infrastructuur en overige voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de activiteit. 7.Gedeputeerde Staten gaan bij het berekenen van de N-emissie van een bedrijf in de referentiesituatie uit van ten hoogste de emissie die is toegestaan op grond van het Besluit emissiearme huisvesting. 8.Indien de toestemming, bedoeld in artikel 2.1, onderdeel o, onder 1°, niet of slechts gedeeltelijk is gerealiseerd, kunnen Gedeputeerde Staten ten behoeve van intern salderen als referentiesituatie hanteren een op de Europese referentiedatum aanwezige toestemming als bedoeld in artikel 2.1, onderdeel o, onder 2° en 5°, waarbij de laagst toegestane depositie vanaf de referentiedatum geldt, met inbegrip van een eventuele afname zoals vastgelegd in de niet of slechts gedeeltelijk gerealiseerde toestemming, bedoeld in artikel 2.1, onderdeel o, onder 1°. 9.In afwijking van het eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten interne saldering toestaan indien de beëindiging van de N-emissie veroorzakende activiteit uit de referentiesituatie rechtstreeks verband houdt met het voornemen voor de nieuwe activiteit ten behoeve waarvan intern gesaldeerd wordt. 10.In afwijking van het vijfde lid kunnen Gedeputeerde Staten de referentiesituatie als uitgangspunt hanteren indien: a. op het moment van inwerkingtreding van dit artikel het project nog niet volledig is gerealiseerd, maar wel aantoonbaar stappen zijn gezet met het oog op volledige realisatie; b. op het moment van inwerkingtreding van dit artikel weliswaar nog niet is aangevangen met de realisatie van het project, maar daarvoor wel al aantoonbaar onomkeerbare significante investeringsverplichtingen zijn aangegaan; c. het project noodzakelijk is ten behoeve van de realisatie van de doelen in een Natura 2000-gebied; d. de aanvraag ziet op het toepassen van een alternatieve verdergaande N-emissie reducerende techniek ter vervanging van de eerder verleende emissie reducerende techniek, die leidt tot een vermindering van de N-emissie, zonder uitbreiding van de capaciteit zoals opgenomen in de laatst verleende toestemming; e. het één of meer van de volgende projecten betreft: energieprojecten van nationaal belang, wegen, vaarwegen, spoorwegen, luchtvaart, woningbouw, duurzame energieopwekking, militaire activiteiten of projecten in het kader van de nationale veiligheid. 1https://www.rvo.nl/sites/default/files/2022-05/Ontwerpprogramma-Stikstofreductie-en-Natuurverbetering.pdf. 2https://www.brabant.nl/onderwerpen/aanpak-stikstof/brabantse-ontwikkelaanpak-stikstof. 3Richtlijn 92/43/EEG. 4ECLI:EU:C:2016:10. 5ECLI:NL:RVS:2021:71. 6Zie r.o. 7.2 van de in de vorige noot genoemde uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2021. 7ECLI:NL:RVS:2022:3159. 8ECLI:NL:RVS:2022:2557. 9ECLI:NL:RBMNE:2021:4507. 10ECLI:NL:RBOBR:2022:1323. 11ECLI:NL:RBOBR:2022:4689. 12ECLI:NL:RBOBR:2021:1601. 13Zie de uitspraak van deze rechtbank van 6 oktober 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:4210. 14ECLI:NL:RBOBR:2021:6389. 15Het artikel "Stikstofcrisis vraagt afgewogen keuze stikstof-, natuur- en klimaatdoelen voor landbouw", te raadplegen via de volgende link: https://www.pbl.nl/nieuws/2021/stikstofcrisis-vraagt-afgewogen-keuze-stikstof-natuuren-klimaatdoelen-voor-landbouw. Hulp bij zoeken Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over: Zoeken op datum uitspraak/publicatie Zoeken op trefwoorden Zoeken op ECLI of LJN Zoeken op rechtsgebied Vindplaatsen zoeken bij uitspraak Uitspraak zoeken bij vindplaatsen Selectiecriteria De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria: Uitspraken zaken meervoudige kamers Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges Uitspraken met media-aandacht Uitspraken in strafzaken Europees recht Richtinggevende uitspraken Wraking Volledige selectiecriteria Weekoverzicht Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd. Weekoverzicht uitspraken HomeUitspraken en nieuws EnglishPrivacyCookiesVolg ons twitter facebook linkedin youtube Blijf op de hoogte rss email Menu

Slapeloze nacht....

Gisteren kwam hier op het forum een opmerking voorbij van een prikker die denkt dat veel boeren het hebben opgegeven…. In eerste instantie wil je in de verdediging gaan. Een boer is een boer en geeft niet op…. Toch heeft de opmerking mij een slapeloze nacht opgeleverd. Persoonlijk trek ik het boerenleed op naar het hele Wef gebeuren en zie ik de foto’s van onze lachende wereld leiders op de G20 Top voorbij komen. Ze hebben reden tot lachen daar alles wat ze al jaren hebben voorbereid en willen uitvoeren gewoon perfect uitwerkt. We worden tegen elkaar uitgespeelt, weerwoord wordt in de doofpot gestopt. Wetten worden veranderd als het niet uitkomt, belastinggeld blijft binnen komen. Gisteren naar het boerenprotest te Zwolle geweest. We kennen allemaal het verhaal waarom we daar stonden. We weten allemaal hoe fout de provincie bezig is. Maar toch…Geen reactie of gesprek van de provincie. Laat staan vanuit Den Haag. We druipen af, we weten niet wat te moeten doen. Ik zag de onmacht misschien de wanhoop in de ogen van de boeren. De betreffende Pas boeren hebben niet de steun gekregen van de provincie waar ze recht op hebben. Weer een overwinning van dit kabinet. Ze hoeven niet eens meer een wet te veranderen. Gewoon nergens op reageren en dwangsommen afdwingen als je niet doet wat ze willen. Deze Pasmelder boeren staan symbool voor alles wat ons staat te wachten. Boer en burgers. Met het uiteindelijke doel beheer over onze landerijen en controle van de mens Het gebeurt onder onze neus en we kunnen niets doen. Velen hebben de hoop op een Trump, of een Bbb die ons moet komen redden. Ik geloof er niet in. De huidige G20 top heeft de macht en het geld ze kunnen alles doen wat ze willen. Met leugens over milieuproblemen, coronabedrog of de oorlog Rusland. Ze komen overal mee weg. De Pasmelders in Overijsel ondervinden als eersten in Nederland dat je geen rechten of bezit lijkt te hebben. Je eigendom wordt je zonder eerlijk proces afgenomen. Ondertussen krijg ik elke dag vele berichten binnen wat er allemaal gaande is over de wereld. Berichten die je niet terug ziet in een Nos of Nu.nl. Hoe ze boeren wegwerken, hoe ze voedsel schaarste creëren hoe ze dit willen vervangen voor zeewier of insecten hoe hele steden, landen in opstand komt. En hoe deze mensen worden neer geknuppeld en weg gezet worden als complotdenker of crimineel. We zouden hier allemaal slapeloze nachten van moeten hebben. Dit kan gewoon niet de wereld zijn waarin wij willen leven. Maar toch gebeurt het. Is het niet vandaag dan morgen wel. Het ziet er niet goed uit, het wordt steeds duidelijker en ik heb ook geen idee wat te moeten doen. Ik plaats mijn zorgen op dit forum om anderen te mogen horen. Hoe staan zij er in. Zien zij een oplossing? Gisteren hebben de boeren toegezegd over twee weken terug te komen als Provincie niet mee beweegt. Wat willen de boeren dan doen? Wordt het een herhaling van gisteren? Wordt de wanhoop nog groter? Eigenlijk zou ik het liefst het Eureka moment lezen hoe we alles kunnen oplossen en allen weer gewoon boer en burger kunnen zijn.

FOSFAAT UIT RIOOL MAG IN KUNSTMEST!! en hier word het toekomstige probleem vast klaar gemaakt voor de sector

Fosfaat uit riool mag in kunstmest Waterschappen mogen een fosfaathoudend restproduct uit de rioolwaterzuivering voortaan leveren aan kunstmestfabrikanten. De fosfaathoudende stof struviet is een geschikte grondstof voor kunstmest maar mocht daar tot nu toe niet voor gebruikt worden. Het moest als afval behandeld worden. Aan de toelating is zes jaar onderzoek en procedures voorafgegaan. Rioolslib, dat fosfaat bevat, mag al vele jaren niet meer over landbouwgrond uitgereden worden. De kans op vervuiling met ongewenste stoffen is te groot. Terugwinnen uit rioolwater Het is wel mogelijk om fosfaat terug te winnen uit het rioolwater, in de vorm van struviet (Magnesium-ammonium-fosfaat). Dit ontstaat door magnesium toe te voegen aan vergist rioolslib. Een deel van de fosfaten uit rioolslib worden overigens al teruggewonnen en hergebruikt. Rioolslib wordt verbrand, waarna de fosfaathoudende as naar de kunstmestindustrie gaat. De Unie van Waterschappen is opgetogen over de toelating van struviet. Bestuurder Sander Mager: ‘Voor een circulaire en duurzame toekomst is het van groot belang dat we de waardevolle grondstoffen die we uit het rioolwater halen, kunnen hergebruiken.’ Achttien stoffen Volgens de Unie opent deze toelating de weg naar hergebruik van meer grondstoffen uit rioolwater. Waterschappen winnen nu al achttien stoffen terug, zoals bioplastics, vetzuren, biomassa en Kaumera. Dat laatste is een nieuwe grondstof met toepassingen in de landbouw en de betonindustrie. Volgens de Unie moet het tempo van de introductie van nieuwe vormen van hergebruik omhoog, om de doelen van het programma ‘Nederland circulair in 2050’ te halen.

Drie veehouderijen moeten van de rechtbank hun vergunning inleveren

Drie veehouderijen met jong rundvee in Budel, Made en Knegsel moeten hun natuurvergunning inleveren. Dat heeft de rechtbank in Den Bosch besloten. Wat dit betekent voor de bedrijven is nog onduidelijk. Volgens de rechter is de provincie is er bij de vergunningen onterecht van uitgegaan dat emissiearme stalsystemen zorgen voor minder uitstoot is van ammoniak. Enkele natuurverenigingen waren het niet eens met de verstrekte vergunning en stapten naar de rechter. Zij kregen vrijdag gelijk van de rechtbank en de vergunningen worden vernietigd. Jongvee De vergunningen werden destijds verleend voor het uitbreiden van de bedrijven met jongvee. De bedrijven werken met een zogeheten emissiearm stalsysteem. Bij deze bedrijven bestaat de vloer van de stal uit een rooster dat de urine van het vee afvoert, zodat die zich niet vermengt met de vaste mest. Op die manier ontstaat er minder ammoniak. De provincie gaat er van uit dat dit systeem bij jongvee een vergelijkbare werking heeft. Als enige in Nederland heeft de provincie Noord-Brabant melkveehouders verplicht om jongvee te gaan houden in emissiearme stallen. De natuurverenigingen betwijfelen of de emissiearme systemen wel werken en of de afwijkende emissiefactor voor jongvee klopt. Onzeker De rechtbank vindt dat niet vaststaat dat een emissiearm stalsysteem in iedere stal even goed werkt en blijft werken. Dit moet beter worden geregeld in de natuurvergunningen. Daarin moeten dan regels staan over het soort veevoer, de oppervlakte per dier of de manier waarop urine en mest gescheiden worden. Het is nog onduidelijk of de provincie in hoger beroep gaat en wat de gevolgen zijn voor getroffen veehouders.

Jan Cees Vogelaar??? - Ongewenste toename stikstofemissie door asielbeleid

Lelystad 26 oktober 2022 Aan: Ministerie van Justitie en Veiligheid t.a.v. Staatsecretaris E. van den Burg Van: Stichting NewMob Onderwerp: Ongewenste toename stikstofemissie door asielbeleid Geachte heer Van den Burg, De minister voor Natuur en Stikstof – mevrouw Van der Wal - heeft sinds haar aantreden diverse malen in brieven aan de Tweede Kamer en in ingediende wetsvoorstellen aangegeven dat het slecht gaat met de natuur in Nederland. Dit wordt onder andere veroorzaakt door de grote stikstofuitstoot in Nederland. Mevrouw Van der Wal heeft diverse keren aangegeven dat de stikstofuitstoot in Nederland moet dalen waardoor er geen ruimte is voor activiteiten die leiden tot een toename van de uitstoot van stikstof. Door een grotere stikstofuitstoot ontstaat er namelijk een grotere stikstofdruk op de natuur. De grotere stikstofdruk op de natuur kan nadelige gevolgen voor de natuur in Nederland met zich meebrengen. Ook diverse leden van de Tweede Kamer - in het bijzonder leden De Groot en Paternotte van D66, leden Klaver en Bromet van Groen Links, lid Ouwehand van de Partij voor de Dieren en lid Thijssen van de PvdA - hebben met regelmaat indringende oproepen gedaan om de stikstofuitstoot in Nederland te verminderen. Op vragen van Tweede Kamerlid Madlener op 20 februari 20201 antwoordde (toenmalig) minister Schouten van Landbouw, Natuur en Voedsel dat voor de stad Leiden de stikstofuitstoot in 2017 in Nh3 64.710 kilogram en in Nox 587.600 kilogram bedroeg. Omgerekend naar een totale stikstofuitstoot betekent dat een jaarlijkse uitstoot van 229.162 kilogram in Leiden. Leiden had destijds circa 125.000 inwoners. Dat betekent dat in het jaar 2017 er per inwoner in Leiden ca. 1,83 kilogram stikstof werd uitgestoten. 1 Kamerstuk 35 334 nr. 50. Mevrouw Van der Wal heeft verschillende keren aangegeven dat er geen kilogram stikstof in Nederland extra uitgestoten mag worden om de natuur in Nederland te beschermen. Als staatsecretaris bent u naar onze mening beleidsmatig verantwoordelijk voor een forse groei van de stikstofuitstoot in Nederland. Doordat - zoals hiervoor uiteengezet - de uitstoot van stikstof en de verslechtering van de natuur in Nederland nauw met elkaar verbonden zijn, betekent dit ook dat u (gedeeltelijk) verantwoordelijk bent voor een eventuele verslechtering van de natuur in Nederland. Immers, er wordt een ruimhartig toelatingsbeleid voor asielzoekers gehanteerd. Het asielzoekersbeleid valt onder uw verantwoording. Volgens het huidige asielzoekersbeleid komen er aankomende jaren veel asielzoekers bij in Nederland. Iedere persoon heeft, zoals reeds besproken, een gemiddelde stikstofuitstoot van 1,83 kilogram. Dat betekent dat wanneer er 10.000 asielzoekers in Nederland worden toegelaten, de stikstofuitstoot in Nederland met 18.300 kilogram per jaar groeit. Bij de toelating van de 190.00 mensen zoals dit jaar het geval is neemt de jaarlijkse stikstofemissie toe met circa 347.700 kg . Al met al betekent dit een ontoelaatbare groei van de stikstofuitstoot. Iets waarvan uw collega mevrouw Van der Wal stelt dat dit onacceptabel is. Bovendien is het onduidelijk welk effect de toename van deze stikstofuitstoot op de natuur in Nederland – in het bijzonder voor Natura 2000-gebieden – gaat hebben. Indien u niet kunt uitsluiten dat de bevolkingsgroei door het huidige asielzoekersbeleid geen nadelig effect op de natuur zal hebben, kan dit mogelijk strijdig zijn met de Habitatrichtlijn. Uit de Habitatrichtlijn volgt dat een passende beoordeling moet plaatsvinden van de gevolgen van een plan of een project wanneer op grond van objectieve gegevens niet kan worden uitgesloten dat het afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen heeft voor een (natuur)gebied. De bewijslast bestaat aldus uit het aantonen van de afwezigheid van de negatieve gevolgen van het toelaten van asielzoekers voor de natuur – in het bijzonder Natura 2000-gebieden – in Nederland. Wij verzoeken u om vanuit natuurbehoud een verdere verslechtering van de natuur te voorkomen en daarom een asielstop in te stellen. Wij verzoeken u om in kaart te brengen hoeveel stikstofemissie de afgelopen tien jaar in Nederland heeft plaatsgevonden vanwege het verlenen van verblijfsvergunningen en daarnaast helder te maken hoe deze extra stikstofemissie voortvloeiende vanuit de verblijfsvergunning zal worden gecompenseerd voordat er weer sprake kan zijn van verdere uitgifte van verblijfsvergunningen. Stichting NewMob verzoekt u derhalve om een verdere verslechtering van de natuur in Nederland te voorkomen en een passende beoordeling te maken welke gevolgen het verlenen van verblijfsvergunningen op de Nederlandse natuur – in het bijzonder op Natura 2000-gebieden – heeft, daar dit momenteel onduidelijk is. Indien dit niet met zekerheid in kaart gebracht kan worden, verzoekt Stichting NewMob u om geen toestemming te geven voor het verlenen van verblijfsvergunningen voor asielzoekers. Stichting NewMob wijst u er op dat u pas toestemming kunt verlenen voor de verblijfvergunningen indien u de zekerheid heeft gekregen dat het huidige asielzoekersbeleid – in combinatie met andere plannen of projecten - de natuur in Nederland – in het bijzonder de Natura 2000-gebieden – niet zal aantasten. Zo lang er onzekerheid bestaat of schadelijke gevolgen voor de natuur in Nederland door het huidige asielzoekersbeleid zullen uitblijven, dient u de verblijfsvergunningaanvragen te weigeren. Wanneer u nalaat te bewijzen dat schadelijke gevolgen voor de natuur in Nederland uitblijven door het huidige asielzoekersbeleid en alsnog instemt met het verlenen van verblijfsvergunningen, verzoekt Stichting NewMob u om inzichtelijk te maken hoe een eventuele verhoging van de stikstofuitstoot door een toename van verblijfsvergunningen voor asielzoekers zal worden gecompenseerd. Stichting NewMob verzoekt u om deze brief binnen veertien dagen na dagtekening te beantwoorden. In afwachting van uw reactie. Met vriendelijke groet, Jan Cees Vogelaar Directeur Stichting NewMob

Twentsch Land


Foto's
0
Video's
0
Topics
0
Reacties
107
Stemmen
3.401
Volgers

Over mij

Leeftijd: onbekend
Laatst op Boeren.online: 1mnd geleden
Laatst op Prikkebord: 5u geleden
Laatst op TractorFan: 1mnd geleden

Bedrijven

Ervaring

Ik heb ervaring met de volgende machines:

Merk / type Waardering